Een recent blog over Simon Vestdijk eindigde ik met de vraag waar of dat er tenminste enigerlei info of bewijsvoering te vinden zou zijn over de waarnemerspraktijken van de arts Simon Vestdijk in Noordwijk. Ik had er ooit over gelezen (in een necrologie, meen ik, van de hand van Ischa Meijer in de Haagse Post), maar nergens heb ik foto’s of verhalen over die tijd teruggevonden.
Nu word ik op mijn wenken bediend door Henk (veel dank!), die mij wijst op een passage in de Vestdijkbiografie van Hans Visser. Die biografie, “Simon Vestdijk, en schrijversleven”, staat bij mij op de plank nota bene, maar op de één of andere manier moet ik de betreffende passage hebben overgeslagen of niet opgeslagen.
Ik vind daar deze foto terug (blijkbaar één uit een hele reeks) en het is heel jammer dat de vrouw en kinderen op de foto anoniem blijven, net zo goed als de artsenpraktijk die Vestdijk daar waarnam, maar toch. Het is een mooie aanwijzing, de betreffende foto’s komen blijkens het notenapparaat uit de collectie van wijlen Nol Gregoor (nu in het Letterkundig Museum?) en daarmee ga ik nog wel verder zoeken. Voorlopig doe ik het alleen met de toelichting van Hans Visser, die ook al de moeite en ook de aardigheid waard is:
“Terug in Nederland (in 1928, na zijn voetreis door de Alpen) ging Vestdijk waarnemen in Noordwijk aan Zee. Een groot aantal foto’s, genomen in de tuin van een huis met wip en duinlandschap, herinnert hieraan; als datum wordt 28 september 1928 vermeld. Op alle foto’s zien we Vestdijk, met en zonder doktersjas, in Boeddha-houding of staande met de handen over elkaar samen met een jonge vrouw en twee kinderen – een jongen met een iets jonger zusje – soms met nog een tweede jongetje erbij. Gelet op het uiterlijk van de kinderen lijken de foto’s in twee opeenvolgende jaren genomen te zijn. Mogelijk heeft Vestdijk hier dus een tweede keer waargenomen. Aan de foto met Vestdijk in Boeddha-houding (de wip op de achtergrond) herinnert het gedicht “De Huisgenoot”, uit de serie ‘Portretten van Jeugdvrienden’, waarvan hier de eerste strofe:
Hij stelt zich aan als Boeddhabeeld: de hand-
Gebaren, nagebootst, worden weer levend –
Twee kleine meisjes springen uit den band,
En kruipen grijnzend dichter bij den rand
Der Notre-Dame. De wip is hoog gebleven.”
De praktijk? De vrouw? De kinderen? Het huis?


Op de een of andere manier vind ik dit geen kleding van 1928.