
“Een obligatie is een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die door een overheid, een onderneming of een instelling is aangegaan. Als een bedrijf geld nodig heeft kan het door het uitgeven van een obligatielening aan de financiering komen. De koper van de obligatie ontvangt van de uitgever rentevergoeding.” Aldus de onovertroffen Wikipedia.
In september 1920 gaf de gemeente Noordwijk obligaties uit ter waarde van 1000 gulden voor een geldlening van in totaal 156.000 gulden. Burgemeester van Panhuys zette er zijn handtekening onder. De rente was niet mis: 6,5%. Die kon je alleen maar innen als je coupons kon overleggen. Bij één obligatie werden in dit geval 30 coupons geleverd, wat er op duidt dat de lening voor 30 jaar werd aangegaan. Je kon ook uitgeloot worden en dan kreeg je je geld ineens terug. Je obligatiepapier – ‘de mantel’ – werd dan met een soort van perforator ongeldig gemaakt.
Betaling van rente en aflossing vond steeds plaats ‘ten kantore van den gemeente-ontvanger te Noordwijk, bij de Lisschese Bankvereeniging, kantoor Noordwijk en bij Scheurleer en Zoonen’s Bank te Leiden.‘ Laatstgenoemde bank werd op 11 april 1932 geliquideerd als gevolg van de economische malaise. Jammer, want het was in zijn tijd een sjieke bank geweest. De Lisschese Bankvereeniging ging uiteindelijk op in de Twentsche Bank, die op zijn beurt weer werd opgevreten door de ABN en later door de ABN/AMRO en uiteindelijk door de Staat der Nederlanden.
