Jan-Hein Donner (1927-1988) was misschien wel de meest kleurrijke schaakgrootmeester van Nederland en omstreken en zeker ook één van de beste. Donner werd in 1954 landskampioen en maakte daarmee een einde aan de lange reeks van kampioenschappen (35 jaar!) van Max Euwe die tussendoor ook nog een paar keer wereldkampioen was. Dat Donner het nooit tot wereldkampioen heeft geschopt had minder te maken met zijn grote talent als wel met zijn onbedaarlijk gebrek aan schaakdiscipline. Hij studeerde nauwelijks, rookte en dronk dat het een lieve lust was en betoonde zich in het algemeen een bohémien van de eerste orde. Hij schijnt niet eens een schaakbord in huis te hebben gehad.
 
Jan-Hein Donner kon grote kampioenschappen winnen (het Hoogoven toernooi van 1950), maar hij kon even gemakkelijk als een blindganger mat gaan tegen een volstrekt onbekende Chinees (Liu Wen Che, Buenos Aires, 1978). Naar aanleiding van die laatstgenoemde partij schreef Alexander Münninghoff  “na zijn opgave bleef Donner bewegingloos als een standbeeld minutenlang zwijgend achter zijn bord zitten, terwijl collega schakers van alle kanten van de zaal kwamen toegesneld om dit drama met eigen ogen te aanschouwen.”
 
Zijn meest pijnlijke nederlaag leed Donner echter in Noordwijk, bij het Daniël Noteboomtoernooi dat eind februari 1965 in het Palace Hotel aan de Noordboulevard werd georganiseerd. Daar ging hij razend snel mat in dertien (13!) zetten tegen Leidenaar Carel van den Berg van LSG. De annotatie van die partij staat hierboven weergegeven.  
 
——————————- 
De mooiste aantekeningen zijn van Alexander Münninghoff (m.m.v. Maarten de Zeeuw) in zijn biografie “Hein Donner 1927-1988 (Scheffers, 1994). Bij vlagen een hilarisch boek, dat niettemin met veel warmte jegens de hoofdpersoon geschreven is.