Het is eigenlijk nooit een bijzonder straatje geweest, behalve dan dat de tram erdoor reed. Verders was het eigenlijk niks: geen winkelstraat, ook geen echte woonstraat. Er waren wel een smederij, een stomerij, een kippenboer, een melkboer, een meubelmaker en een café. En een lagere school voor katholieke jongens. En tenslotte nog een paar bollenboeren.
 
Af en toe sneuvelde er een pand, mondjesmaat en dat werd dan weer opgevuld (of niet). Geen integrale aanpak, geen stadsanering, daar was geen geld voor en ook geen belangstelling. Een straatje waar je doorheen moest, op weg naar Noordwijk aan Zee of op weg naar school.
 
Het was eigenlijk dertig keer niks en toch. Mijn grootvader kwam er wonen in 1928 en mijn vader ging er pas zeventig jaar later weer weg. Hun huis – óns huis – is nu ook verdwenen.