Hij stond altijd bij de poort van zijn wasserij aan de Zeestraat. Als de tram langskwam, moest hij een stapje terug doen, anders ging die over zijn tenen. Spierwit haar, ’s zomers ook nog een verblindend witte pet op. Zachte stem, altijd vriendelijk.
 
Maar mijn opa vertelde dat hij Ome Cees van Dam wel eens in elkaar geslagen had. Op de hoek van Douzastraat, Van Limburg Stirumstraat, Pickéstraat en Bronckhorststraat – er moeten veel getuigen zijn geweest. Het moet zo ongeveer rond de eeuwwisseling (de vóórvorige) geweest zijn, mijn grootvader was 13 of 14 jaar. Ome Cees was iets ouder, 16 of 17 toen. Wát Ome Cees precies gedaan had, is mij nooit erg duidelijk geworden. Misschien wel helemaal niks. Maar grootvader was door het lint gegaan en had – volgens eigen zeggen – Ome Cees al bijna naar de eeuwige jachtvelden geholpen, als niet een paar omstanders vol heroiek en bovenmenselijke moed mijn grootvader hadden tegengehouden en hem van Ome Cees hadden afgehaald. 
 
Zestig á zeventig jaar na dato zeiden ze elkaar nog steeds geen gedag.