Ik werkte in de zomer bij Warenhuis J&B: binnenkomende goederen proberen op de juiste plek in de kelder te krijgen (en bij tijd en wijle helpen hozen als de kelder weer eens onder water liep). Maar soms was het druk in de winkel en moest ik dáár bijspringen. De baas van het hele spul, de oude ‘Kip’ van Stijn, merkte goedmoedig op dat ik als jongen maar niet bij de strijkbouten en de theekopjes moest gaan staan. Ik kreeg de technische afdeling onder mijn hoede: hamers en nijptangen, elektrische boren en nog zo wat.
 
Er was veel vraag van Duitse toeristen naar ‘Tauchsieder” en omdat ik niet wist wat dat betekende antwoordde ik steevast op een allerbeminnelijkste en overtuigende toon: “Das haben wir nicht.” Maar er kwamen steeds meer Duitsers mijn afdeling op met de vraag, sommigen riepen dat ze juist naar mij waren dóórgestuurd. Ik begon enige argwaan te voelen en vroeg aan Van Stijn of hij wist wat een ‘Tauchsieder’ was. Hij zei dat het een ‘dompelaar’ was en dat ik er bakken vol van had op mijn afdeling. Hij wees in een bepaalde richting.
 
Ik wist niet wat een ‘dompelaar’ was en de eerstvolgende Duitser vroeg ik op een allerbeminnelijkste toon of hij zelf even wilde kijken – en ik wees in dezelfde bepaalde richting – want ik was druk met iets anders. De Duitser haalde een raar gevormd stuk ijzer uit de bakken met een snoertje eraan. Later leerde ik dat ‘Zimmer mit Frühstück’ een beetje mager was voor de gemiddelde Teutoon en dat hij of zij er graag ’s avonds een kopje koffie of een kop soep bij had op de kamer. Met een Tauchsieder kon je dan een beetje water opwarmen. Daar was het voor.