Dit is een portret van die ‘andere’ Noordwijkse Janus: Janus Dousa. Niet een man met twee gezichten, maar met zes verschillende petten: Heer van Noordwijk, dichter, filoloog, historicus, bibliothecaris van de Leidse Universiteit en veldheer die Leiden ontrukte aan de macht van de Spanjool. Niet mis, deze Janus. Overigens heette Janus Dousa gewoon ‘Jan van der Does’, dat gekoketteer met het Latijn was die verwaande Leienaren aan de Alma Mater (sic!) nu eenmaal met de paplepel ingegoten, dat konden ze ook niet helpen (ik ben er zelve ook een).

 
Jan van der Does stierf precies 405 jaar geleden en hij werd begraven in de Oude Jeroenskerk in Noordwijk. Hij wordt nog steeds herinnerd, in zijn geschriften, als naamgever van straten in Leiden en Noordwijk, in de letteren en geschiedenisboeken, als romanfiguur én in de talloze etsen en schilderijen die van hem zijn gemaakt.
 
Dit portret, een ets, werd gegraveerd door ene Cornelis Visscher. Er staat een versch onder (weer in dat kakkerige Latijn) van ene Petrus Scriverius (die waarschijnlijk gewoon ‘Piet Schrijvers’ heette, ook wel ‘De Bolle van Zwolle’ in latere tijden). Portret en gedicht dateren van 1649 en dat was mooi bijna een halve eeuw na Jan’s dood. Van der Does is afgebeeld staande voor een raam met in de verte het belegerde Leiden. Hij ‘poseert’ nog even voordat hij de kuierlatten neemt om de Spanjool over de kling te gaan jagen. Het gedicht van Piet Schrijvers luidt in vertaling:
 
"De moedige heer van Noordwijk heeft niet slechts de heerlijke Muzen aan zijn zijde,
maar beschikt ook over alles wat bij de oorlogsgod Mars hoort.
Zijn zorg was het de vijand verre te houden van het erfdeel der voorvaderen
en het aan Oranje gegeven woord van trouw onbezoedeld te bewaren.
De held stelt zich niet tevreden met de hoop op een gunstig verloop van de krijg.
Hij strijdt, maar ziet tegelijk uit naar de komst van de godinnen van de Muzenberg,
het geschenk van de onoverwinnelijke Prins.
Gij, oningewijden, blijft verre van hier,
want dankzij Dousa’s bemiddeling is dit hier
een gewijde plaats geworden.”