Noordwijkse katholieken werden na hun dood in afwachting van de Jongste Dag ten ruste gelegd, aanvankelijk op de Algemene Begraafplaats in Noordwijk aan Zee. Die begraafplaats werd in 1829 in gebruik genomen en het noordwestelijke gedeelte ervan werd door de toenmalige pastoor Strengers plechtig gewijd. Er was ook toestemming om op dat gedeelte van het kerkhof een kapel op te richten, maar om onduidelijke redenen is het nooit zo ver gekomen.
 
Blijkbaar beviel de cohabitatie op de dodenakker niet zo, want in 1884 kochten de katholieken een stuk grond aan de Gooweg in Noordwijk -Binnen. Met behulp van werklozen (dagloon 80 cent)  werd aldaar een nieuwe, nu exclusief roomsch-katholieke begraafplaats ingericht. En er kwam ook een kapel die in mei 1889 in gebruik werd genomen.
 
Ik kwam er vroeger vaak: als je in de hogere klassen van de roomsch-katholieke jongensschool zat en je kon goed ‘meekomen’ was je de eerste aangewezene om als misdienaar ook alle ‘rouwtjes en trouwtjes’ te doen. Bij de ‘rouwtjes’ was je altijd druk in de weer met een wierookvat en water en  ging je na de mis met de dienstdoende kapelaan naar het kerkhof. Dat gebeurde met een daartoe apart door de nabestaande gereserveerde auto die je dan via een korte sluipweg eerder op de begraafplaats bracht dan de dierbare overledene zelf.
 
De kapel was in mijn herinnering altijd klam-koud en ook anderszins – als ik met het kruis op de kop van de open groeve stond – was het koud. Vroeger was er nog wel sprake van eerste en tweede klas begraven, maar in mijn tijd werden de doden voor het vaderland weg ter aarde besteld op het gedeelte direct links na de toegangspoort. In de vroege jaren zestig heb ik zo dat hele veldje vol gekregen. Een carrière die ik besloot met de begrafenis van mijn grootmoeder in 1964. Ze is één van de weinigen uit die tijd die er nog steeds ligt.