Eerder was ik al gestuit op Aernout van Buchell (Buchelius), die met precisie, maar ook met de nodige artisticiteit de opschriften beschrijft op (graf)monumenten en gedenktekens in kerken en kloosters, alsmede de heraldieke wapens uit de provincies van de Noordelijke Nederlanden en nog een beetje uit de Zuidelijke Nederlanden. Een magnifiek boek is dat geworden, de Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa. Het wordt bewaard in het Utrechts Archief (waar overigens ook de archieven zijn opgeslagen van de Noordwijksche Stoomtramwegmaatschappij 1885-1909, maar dit tussen haakjes).  
 
In 1619 was Aernout van Buchell dus ook in Noordwijk – hij zou er later nog terugkomen om specifiek over het Klooster Leeuwenhorst te schrijven – en maakte daar bijgaande ‘foto’ van het dorp. Daaronder de aanhef van zijn verhaal over Noordwijk (in het Latijn, want Aernout was niet van de straet):
 

Pulcher et amoenus locus est, a multis quoque nobilibus habitatus. Huius dominium ad Douzas a Bouckhorstiis pervenit. De quo sic in Odis Lugdunensibus Johannes Douza, loci toparcha, canit: Et Borea mea regna, vicum. Huic ob Lugdunum defensum maius loci imperium tributum, quod et ad ipsius filium Stephanum Dousam deductum, qui eo anno 1619 potitur: Hic in maio 1619, cum eo me contulissem cum Adolpho Vorstio, nepte meo, sepeliebatur quidam ex Schagenis, cui nupta fuerat Anna Borselia; hic quod ebrietati nimis esset deditus, ‘droncke Schagen’ dicebatur. In templo caeruleus erat sarcophagus sub quo iacebant sepulti Bartolomeus ab Egmonda, cum uxore Almondia et signis Egmondanorum, Almondiorum et Eversdijckiorum. In alio lapide confracto Van der Douziorum insignia spectantur eorundem, ornata Aethyopis capite. Suspensa ibidem in tabula signa Bronckhorstiorum, Scherpenseliorum, Schagenorum, Bockhorstiorum, Swietensium, Coendersiorum et hoc expresso cum sago militari * In tabula quadam * In alio lapide Bouckhorst met Scagen, cuius mater Sweten.
 

Mooi en lieflijk is deze plaats, die ook door vele edelen bewoond wordt. De status van heer van het dorp is van de familie Van de Boekhorst aan Van der Does overgegaan. Janus Dousa, de schout van het dorp, zingt hierover in zijn Leidse oden aldus: ‘En mijn bezitting in het noorden, een dorp.’ Vanwege zijn rol in de verdediging van Leiden is hem de heerlijkheid van dit dorp geschonken, en die is op zijn zoon Steven van der Does overgegaan. Dit jaar, 1619, heeft hij die verkregen. Hier werd in de maand mei 1619, toen ik erheen ging met mijn neef Adolf Vorstius, een zekere Christoffel van Schagen, die in 1612 met Anna van Borsele getrouwd was, begraven. Omdat hij wat al te veel van de drank hield, werd hij ‘dronken Schagen’ genoemd. In de kerk lag een blauwe grafsteen, waaronder Bartout van Egmond, met zijn vrouw Anna van Almonde begraven lag, met de wapens van Egmond, Almonde en Eversdijk. Op een andere steen, die gebroken is, zijn de wapens van Van der Does te zien, versierd met een morenkop. Er hing een bord met de geschilderde wapens van Bronkhorst, Scherpenzeel, Schagen, Boekhorst, Zwieten, Coenders, en deze met een wapenrok op een rouwbord. Op een andere grafzerk Floris van de Boekhorst met Jenne van Schagen, dochter van Catharina van Zwieten.