
Over Elizabeth Maria Post heb ik het al eerder gehad. Geen vrolijke Miep, zeker niet gedurende de periode dat ze met haar man – dominee – in Noordwijk woonde van 1794 tot 1807. Depressies waren haar niet vreemd. Noordwijk was voor haar een verbanningsoord, een Goelag-archipel avant la lettre. Haar grootste ‘vriend’ was de kerktoren van Noordwijk-Binnen, dan weet je het wel. Aan de blikken die ze vanaf de duinen van Zee op de toren van Binnen kon werpen, klampte ze zich al die jaren vast.
Aan de Noordzee.
Wat is dees oord toch woest en doodsch!
‘k Zie niet dan dorre duinen;
De zeeraaf zweeft ‘er ginds en weêr
En giert op kaale kruinen,
De naakte duinhalm, ’t laage mosch
Is al het groejend leven,
Dat mij van werkende Natuur,
Een denkbeeld hier kan geeven,
De zee rolt ginds langs ’t barre strand
Met donderende baaren;
De wind doet loejend wolken zands
Voor scheemrende oogen waaren;
Doch laat Natuur, zoo woest, zoo norsch,
Geen zachtheid hier vertoonen;
Geen enkel boschjen groejen doen,
Noch zangertjens daar woonen.
Tog is dit doodsch verblijf mij lief,
Meer lies dan andre streeken;
In deezen omtrek woont mijn vriend,
Dien ‘k daaglijks hier kan spreeken.
Wen ‘k gindze steile duin beklim,
Zie ‘k van zijn dorp den toren;
Die logge breede klomp heeft thans
Iet dat mij kan bekooren.
‘k Speur daar zijn woonplaats tuurende op;
De landstreek lacht mij tegen;
Door hem heeft alles wat ik zie
Een nieuwen glans verkregen.
Mijn vorschend oog vliegt langs de paên
Of ’t hem ook aan ziet treden:
Hoe hoorbaar bonst mijn vrolijk hart,
Bij ’t naadren zijner schreden!
En ga ik dan aan zijnen arm
Langs ’t woeste strand der duinen,
Dan wordt de zeeraaf nachtegaal,
Het moschje een bloem der tuinen.
Door hem word ieder wereldoord
Mij een woestijn, of eden;
‘k Verliet voor hem een roozenpad
Om distels doortetreeden.
Die wonderlijke toverkracht
Der liefde op alle dingen.
Doet mij op Noordwijks barren grond,
Met stil genoegen zingen.
