
Het is een wereld die niet de mijne is en waar het moeilijk is er van buitenaf in door te dringen. Hele of halve (ridder-) orden die nauw tegen de kerk aanhangen, ‘onafhankelijk en zelfbesturend’ met grootmeesters en co-adjutoren, al of niet voorzien van een militaire tak, dichtbij adelijkheid en vrijmetselarij, beetje Dan Brown-achtig ook. En het heeft dan ook nog te maken met de kruistochten van zo’n 1000 jaar geleden.
De Militaire en Hospitaler Orde van Sint Lazarus was van oorsprong – naar verluidt al in de 4e eeuw na Christus – belast met de geneeskundige verzorging in een leprozenhuis buiten Jeruzalem. Toen Jeruzalem ten tijde van de kruistochten in 1099 onveilig werd gemaakt door plunderende bendes, bleek het noodzakelijk een efficiënte verdediging voor het hospitaal te organiseren en zo kwam er naast de verplegende ook opeens een militaire tak van de orde. Na de val van Jeruzalem kwamen de ridders van de orde in Frankrijk terecht waar ze hun oorspronkelijke taak – de verzorging van leprozen – weer op zich namen.
Daar zou het misschien allemaal wel bij gebleven zijn, ware het niet dat de orde – met al haar rijke bezittingen – al snel in het oog viel bij Paus Innocentius IV, een minder onschuldig ogend type dan zijn naam zou doen vermoeden. Het was het begin van een veenbrand die ook naar binnen zou slaan. De Lazaristen verzetten zich tegen het voornemen van de heilige vader om hen te integreren met een andere (Italians georiënteerde) orde, waarover hij grote zeggenschap, zo niet volledige controle had. De Fransozen uit de Lazarus-orde verzetten zich hiertegen, maar de bron van tweespalt was al gaan lekken, ook binnen de eigen gelederen van de orde.
De hele verdere geschiedenis van de Militaire en Hospitaler Orde van Sint Lazarus is even boeiend en instructief, even complex als – bij vlagen – hilarisch. Zo is de Grootmeester van de ene tak ene Prins Don Francisco de Borbón y de Escasany – Hertog van Sevilla. Hij volgde in 1995 zijn vader Don Francisco Enrique de Borbón y de Borbón op in dezelfde functie, maar niet dan nadat die vader door een heuse paleisrevolutie eerder uit het ambt was gezet, dat hij later weer heroveren moest. Deze laatstgenoemde Don Francisco – een kolonel in het Francistische leger – had het ambt in 1957 op zijn beurt weer van zíjn vader overgenomen. Familiedynastitische bewegingen, zullen we maar zeggen. Enfin, de geschiedenis is uitgebreid terug te vinden op een Nederlandse website, maar ook op de eigen site van de Orde.
In september 1988 vergaderden de ridders – wie weet van welke tak – blijkbaar in Noordwijk en men wist bij de plaatselijke posterijen zowaar gedaan te krijgen dat er een speciaal stempel werd uitgegeven voor de gelegenheid. Zo kon iedere niets-vermoedende burger in Noordwijk een brief op de post doen, die door de ridders van de orde als het ware nog eens werd afgezegend.
Wie denkt dat de ridders inmiddels ver van hun oorspronkelijke leprozenkolonies zijn afgedwaald vergist zich: onder het motto ‘Atavis et Armis’ (met behulp van voorvaderen en wapens) beloven de leden van de orde ‘om het Christelijk geloof te verdedigen, om armen en zieken, met name lepra-lijders, te beschermen, bij te staan en te helpen, om de principes van het christelijk ridderschap te promoten en te bewaren, te werken voor Christelijke eenheid en om de leer van Christus en zijn heilige kerk in al zijn werken te volgen’. Mooie boodschap op een postzegel van 90 cent.
NW 27: Atavis et Armis
