Het drieluik stelt het Laatste Avondmaal voor. Het is eigendom van het Rijksmuseum in Amsterdam. Daar vermoedt men dat het gemaakt is in het atelier van Jacob Cornelisz. van Oostsanen. Ter linker en ter rechterzijde zijn de (vermoedelijke) opdrachtgevers afgebeeld, respectievelijk Adriana van Roon (1450-1527) en Dirck Pietersz. Spangert (omstreeks 1465-1549). Volgens het Rijksmuseum zijn zij goed te identificeren door hun familiewapens. Beiden waren nauw verbonden met het klooster Leeuwenhorst  bij Noordwijk: Adriana van Roon was van 1497 tot aan haar dood abdis van dit klooster en Dirck Pietersz. Spangert was kapelaan en rechtskundig adviseur.
 
Het aardige van dit drieluik is – los van die Noordwijkse herkomst – dat het één van de vroegste en gaafst bewaarde voorbeelden is van de zgn. achterglasschilderkunst. Achterglasschilderkunst (‘verre églomisé’) wordt gebruikt voor schilderingen die op glas worden gemaakt, waarbij het de bedoeling is het werk dóór het glas heen te bekijken. Schilderingen achter glas komen het best tot hun recht als er licht van achter doorheen schijnt.
 
Niks aan, zou je denken, of je een schilderij nu maakt aan de voor- of aan de achterkant van het glas, de moeite is precies hetzelfde. Maar dat is niet waar: de volgorde van werken bij een achterglasschildering wijkt af van die in de ‘gewone’ schilderkunst waarbij met de achtergrond begonnen wordt. De achterglasschilder werkt in omgekeerde volgorde; hij schildert éérst de accenten op de voorgrond en eindigt met het schilderen van de achtergrond. En dat is echt een stuk ingewikkelder dan andersom.