Tot 1850 moet het een zootje geweest zijn met de postbezorging in dit land. Als er al van enigerlei vorm van ‘bezorging’ sprake was, want missives die ‘per post’ verstuurd werden, raakten vaak onderweg, in postkoetsen en trekschuiten, volledig zoek. Tariefberekeningen waren ingewikkeld en  te duur. De minister van Financiën in het eerste kabinet-Thorbecke en latere premier Pieter van Bosse (1809-79) ging er in 1850 mee aan de slag. Hij produceerde de eerste ‘Postwet’ van Nederland. Eén van de belangrijkste bepalingen in de wet was dat iedere gemeente in Nederland een postkantoor moest hebben, op zijn minst een hulppostkantoor. Dat leidde ertoe dat er ‘in geen tijd’ 122 postkantoren kwamen en 546 hulppostkantoren. Later werd dat allemaal weer anders, maar for the time being en voor de aardigheid is dit genoeg.
 
Hulppostkantoren waren niet gerechtigd om zelf frankeerstempels te zetten of – later – postzegels te ontwaarden. Dat mocht alleen gebeuren op het hoofdpostkantoor in de buurt. Maar om het kantoor van afzending te kunnen achterhalen, moesten de hulppostkantoren wel een ander stempel zetten: dat was het zogenaamde ‘langstempel’ of ‘naamstempel’.
 
En zo kunnen we 145 jaar na dato vaststellen dat bijgaande brief van 11 mei 1864 aan de Commissaris des Konings en aan de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland weliswaar op het postkantoor van Leiden was afgestempeld, maar van het hulppostkantoor in Noordwijk afkomstig was. Noordwijk had toen nog geen ‘echt’ postkantoor. Het Noordwijkse ‘langstempel’ staat er niet helemaal mooi op, daar had iemand wel wat beter zijn best op kunnen doen.