Gerlof van Vloten werd op 7 juni 1866 geboren in Deventer. Van 1878 tot 1884 volgde hij het gymnasium in Haarlem en daarna ging hij semietische letteren studeren in Leiden. In 1890 promoveerde hij op een dissertatie: De opkomst der Abbasiden in Chorasan. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot adjutor interpretis legati Warneriani (wat dat ook moge zijn) en tot leraar Hebreeuws aan het gymnasium te Leiden.
Van Vloten was bovenal de broer van’ en dat was misschien ook wel zijn ongeluk. Zijn drie zusjes trouwden met 3 toenmalige grootheden in de Nederlandse kunst en cultuur: Frederik van Eeden, Willem Witsen (die bijgaande foto van Gerlof maakte) en Albert Verwey. Er zijn berichten (o.a. van Jeroen Brouwers in "De Laatste Deur") die erop duiden dat Gerlof moeite had – ten onrechte volgens Brouwers – met het gegeven dat hij eigenlijk alleen maar in de schaduw stond van zijn getalenteerde zwagers (en soms als geldschieter mocht optreden voor vrienden van hen, zoals Lodewijk van Deyssel).
Hij moet al bij leven een redelijk sombere kijk op de wereld en op zichzelf ontwikkeld hebben. Soms werd hij geestig’ genoemd, maar er bestaat van geen enkele geestigheid’ enige overlevering. In 1902 verbleef hij in een krankzinnigengesticht in Hilversum.
Op 20 maart 1903 schoot hij zich in de duinen bij Noordwijk een kogel door het hoofd "in een hoos van doodsnood", zoals Albert Verwey schreef. Enkele maanden eerder al had hij over Gerlof gedicht:
Allengs aan ’t smeulen onder groei van woorden
Angstige vlam sloeg soms een gulden rank.
