Hugo Sinzheimer (Worms, 1875 – Bloemendaal 1945) staat in Duitsland bekend als de grondlegger van het Duitse arbeidsrecht, maar Duitsland moest hij al in 1933 achter zich laten. Hij had zijn naam en faam gevestigd ten tijde van de oprichting van de Weimarer Republik in 1918/19, hij nam deel aan de constituerende vergadering ervan en was redacteur van belangrijke grondwetsparagrafen over het arbeidsrecht (waaronder baanbrekende artikelen over medezeggenschap).
Hij maakte met die achtergrond dan ook deel uit van de eerste Reichstag van de nieuwe republiek, maar daaraan kwam al in 1920 een eind toen hij als rapporteur van de ‘Untersuchungsausschuss zur Aufklärung der Friedensaktion Wilson’ verdacht werd gemaakt door rechtsere elementen in diezelfde Reichstag. Vanaf die periode ontwikkelde hij zich verder en verder tot vooraanstaand hoogleraar aan de universiteit van Frankfurt totdat hij – als Joods burger – ontslagen werd en moest maken dat hij wegkwam.
Hij belandde in Amsterdam waar zijn roem hem al vooruit was gesneld. George van den Bergh (oud-Kamerlid en telg uit het geslacht van margarinefabrikanten (Van den Berg en Jurgens, later Unilever)) nam hem als hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam onder zijn hoede. Van den Bergh regelde dat Sinzheimer een bijzondere leerstoel kreeg aan diezelfde universiteit in het arbeidsrecht en kort daarna – in 1936 – een soortgelijke leerstoel aan de universiteit in Leiden, waar hij zich verder ontwikkelde tot vooraanstaand rechtssocioloog. Naar hem zou later het Hugo Sinzheimer Instituut voor onderzoek naar arbeid en recht genoemd worden, dat nog steeds deel uitmaakt van de universiteit van Amsterdam.
Sinzheimer deed erg zijn best om zich de Nederlandse taal toe te eigenen, maar naar verluidt met weinig succes: toen hij zijn in het Duits uitgesproken inaugurale rede in Amsterdam wilde besluiten met het in het Nederlands uitgesproken ‘Ik heb gezegd’ struikelde hij in onverstaanbaarheid. En 3 jaar later deed hij zijn uiterste best door in Leiden zijn gehele inaugurale rede in het Nederlands uit te spreken. Toehoorders moeten later gesproken hebben van een ‘onverstaanbaar goed verhaal’.
In de oorlog werd Sinzheimer verschillende malen gearresteerd en opgesloten, maar evenzoveel keren kwam hij op wonderbaarlijke wijze weer vrij en ging hij in de onderduik. Hij zou de oorlog uiteindelijk wel overleven, maar niet lang: hij stierf op 16 september 1945 aan een hersenbloeding.
George van den Bergh had hem naar Nederland gehaald, misschien omdat hij in Sinzheimer een geestverwant zag – als Jood, als wetenschapper, als sociaal-democraat, als humanist – maar in ieder geval ook omdat ze elkaar in Noordwijk aan het eind van de jaren twintig hadden ontmoet, toen ze er beide op vakantie waren.
Zie ook de publicatie "De Betekenis van Sinzheimer"
