
In het verhaal "Knorrende Beesten" van F. Bordewijk worden auto’s beschreven als hebben ze een menselijke ziel. Het gaat in het verhaal eigenlijk alleen maar om de auto’s, de ‘beesten’. Eén van de weinige mensen die nog enige diepte krijgen is parkwachter Bobsien, die in een badplaats aan zee waakt over ‘zijn’ beesten als een boer over zijn kippen. Het verhaal gaat onder andere over standsverschillen, zoals er ook grote en kleine, mooie en lelijke, dure en goedkope auto’s zijn. Bobsien kiest in al deze standsverschillen stevig partij: hij minacht de rijken. Bordewijk schrijft dat deze Bobsien "in zijn vrije ogenblikken de eenvoudige leerstellingen van de klassestrijd (sic!) overdacht". In een cynische inner monologue heet het ‘De weelde ging aan zichzelf te gronde. De badplaats was een buil van bederf. Dat kon hij met staven bewijzen.’
De foto is een mooie illustratie bij dat verhaal, ook al was de foto nog niet genomen toen Bordewijk zijn verhaal schreef. De ‘knorrende beesten’ staan vrijwel allemaal op stal onder het wakend oog van Piet – Bobsien – van Dam, die jaarlijks dit parkeerterrein pachtte van de gemeente. Bordewijk woonde lange tijd in de Breestraat in Leiden en misschien had hij dit parkeerterrein in Noordwijk wel voor ogen toen hij "Knorrende Beesten" schreef. Hoewel: ‘de weelde’ is hier uiteindelijk niet aan zichzelf ten gronde gegaan. Verder kun je van Noordwijk alles zeggen, maar niet dat het ooit een ‘buil van bederf’ is geweest en tenslotte: Van Dam was zeker geen socialist zoals Bobsien.
Van dat laatste ben ik nog het meest zeker.
