Kort na de bevrijding jat de hoofdpersoon een fiets in Leiden en rijdt erop naar Noordwijk, naar het huis van Lien "vanzelf alsof ik dat al bedacht had voordat ik hem had gestolen". Maar in Noordwijk wacht hem een nieuwe teleurstelling:
"Toen ik zo dichtbij was dat ik de begroeiing van de duinen al kon waarnemen, zag ik nog steeds niet, tegen die zanderige bollenvelden waarop bijna geen kleurrijke vlakken te bekennen waren omdat de bollen meer voor de consumptie hadden opgebracht dan ze ooit als bloem hadden kunnen opbrengen, dat oranje pannendak van haar huis waarop het tegeltableau zat met HUIZE LIEN erop. Als die roestige rails niet aan de andere kant van de berm hadden gelopen had ik kunnen denken dat ik me vergist had in de weg. Maar nu kreeg ik een wonderlijk gevoel, maar ook angstaanjagend. Alsof er iets verschoven was in dat landschap.(…..) Ik gooide mijn fiets in het gras en over de tramrails, die bovenop ook roestig waren omdat de tram er al meer dan een half jaar niet meer overheen gereden was, liep ik ernaar toe. Alleen de fundamenten lagen er nog waar je duidelijk de indeling van het huis aan kon zien. (…..) Ik liep weer naar mijn fiets en reed naar het dichtstbijzijnde bollenbedrijf. Daar vertelden ze dat het huis en de schuren in november waren afgebroken omdat het het eerste huis achter de duinen was en de Duitsers bang waren geweest voor een invasie van de geallieerden toen ze niet over de grote rivieren konden komen. De bewoners waren naar Brabant gegaan. Maar een adres wisten ze niet."
De hoofdpersoon ziet Lien na de oorlog eerst nog kort in Nederland, vlak voordat hij als vrijwilliger naar Indië vertrekt. Ook Lien gaat naar – inmiddels getrouwd met een vaandrig – naar Indië. Daar bloeit de jeugdliefde uit Leiden nog een keer op, maar het loop slecht af met Lien. In haar huis in Bandoeng staat nog wel een foto van het oude huis in Noordwijk.
De Rest 211: Wolkers (3)
