tore

 

Ik lees het prachtige boek van Kees Fens, 2 weken geleden gestorven, over Amsterdam en bedenk me hoe graag ik zó mooi zou willen schrijven als hij. Bijvoorbeeld over de katholieke kerkbouwwoede in de tweede helft van de 19e eeuw, toen het de Roomschen eindelijk vergund was hun schuilkerken te verlaten en al hun opgepropte devotie los te laten op gebouwde heiligdommen die meer waren dan heiligdommen alléén. Fens:

“De torens begonnen naar de hemel te groeien. De God van Rome nam bezit van Nederland. Kenden de protestantse kerken een zekere ingetogenheid, bij de katholieke werd meteen de zuidelijke uitbundigheid zichtbaar. En de stijl van de kerken was die van de glorietijd van het katholicisme: de hoge middeleeuwen. De tweede triomf begon.”

Zo moet het ook in Noordwijk zijn gegaan. Katholieken hadden er jarenlang de eredienst moeten vieren in een schuilkerk in – nota bene – de Kerkstraat en in een bollenschuur aan de Lijnbaanweg. Maar allengs mag men meer naar buiten treden en aan het eind van het 19e eeuw is het dan al zo ver dat een mastodontisch kerkgebouw verrijst uit de aarde en zich hoog boven Noordwijk-Binnen verheft. Het is 1894 en het is nog maar een déél van het kerkgebouw, want de centen zijn op en voor de rest van het gebouw moeten nog nieuwe financieringsbronnen worden aangeboord. Een hinkstapsprong naar de Heerlijkheid en pas in 1926 is het allemaal klaar.

Rond 1900 is het wel een wat mal gezicht: de oude, kleine kerk met in zijn staartstuk een zich machtig verheffend, neogotisch bouwsel. Het Angelustorentje op het middenschip steekt al hoger de lucht in dan de hoofdtoren van het oude kerkje. Hervormd Noordwijk houdt zijn adem in: het zal toch niet zo zijn dat die gekke katholieken hún Grote Sint Jeroen naar de kroon gaan steken? Toch doen ze het, alsof ze eeuwen hebben in te halen (wat in feite ook zo was). Of de katholieke Jeroen nu groter is dan de hervormde Jeroen is mij niet duidelijk, maar het zal me niet verrassen als dat zo is. Per slot van rekening was je als katholiek niet ge-emancipeerd als je het protestantisme niet voorbij was gestoken. Een soort van Olympische Spelen: semper altius, de toren moest hoger, de kerk groter, de uitstraling indrukwekkender.

Nu staan ze al bijna 100 jaar samen en zijn ze eigenlijk allebei te groot voor het kerkvolk dat ze moeten herbergen. Enkele soortgelijke kerkgebouwen uit de bloeitijd van het emancipatorisch katholicisme zijn inmiddels al afgebroken of zijn verworden tot boekhandel (in Maastricht) of klimhal (Amsterdam). Veel staan er simpel leeg, met een onbestemde toekomst terwijl ze toch voor de Eeuwigheid waren gebouwd. Het plaatje is dan ook alleen maar symbolisch voor de ontluikende en zich verheffende bloeitijd van het Noordwijkse katholicisme. Van de neergang is – gelukkig en nóg – geen plaatje voorhanden.

 

 Het prachtige boekje van Kees Fens heet “Het geluk van de Brug” (Het Amsterdam van Kees Fens) en verscheen dit jaar bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen in Amsterdam.