Het was een stoffig, nauwelijks onderhouden stukje waar de Blauwe Tram overheen moest. Vanaf de Zeestraat via Tramsteeg naar Heilige Geestweg. Ervóór en erná ging die gewoon over de straat, maar hier was een stukje waar alleen de tram kon komen (en anderhalve wandelaar of fietser, maar dan met gevaar voor eigen leven).
De spoorbielzen zijn versleten, maar liggen zo diep en stevig verankerd dat een ballastbed van stenen niet nodig is. Dat had wel een wat meer verzorgde indruk gemaakt. Tegenwoordig laten ze er ook wel gras op groeien, op zo’n trambaan, ook dat had dit trajectje een beter aanzicht gegeven.
Die bomen en struiken links deden ook maar wat, niemand die er naar omkeek. De tram zelf zorgde er wel voor dat ongewenste uitsteeksels vakkundig werden gesnoeid.
Rechts achter het struikgewas stond een in ontbinding verkerende abri (het heette toen anders), waarin je niet gauw wenste te schuilen. Liever de regen dan een stuk hout op je hoofd.
De tram trok zich er niks van aan. Die ging naar Den Haag waar de waardering wel groter was. Als die bij het raadhuis de bocht om was, was die dit verlopen stuk al lang weer vergeten.
