Het is onmiskenbaar dezelfde vissersvrouw: het doorgroefde gezicht, de somberte in haar hele houding, de achtergrond van schutting en 2 huizen. Het leven was toch al niet zo gemakkelijk, dat zie je er sowieso al vanaf. Maar dan komt er een vent met een vreemd apparaat je erf op en vraagt of hij een paar foto’s van je mag nemen. Je weet niet eens wat een foto is, maar je zegt maar ja. En dan word je toch maar even vastgelegd in de tijd. Bijna voor de eeuwigheid.
Echte Noordwijk aan Zeejers zullen de vrouw op de foto waarschijnlijk wel kennen, of zullen in ieder geval blind haar hedendaagse aftakkingen kunnen aanwijzen, want die lopen er vast nog wel rond.
Maar het gaat eigenlijk niet om deze ene vrouw. Het gaat om álle vissersvrouwen uit Noordwijk van die tijd. Doorgroefd en bijna versleten van het harde werken, vis sjouwen en verkopen, netten boetsen, de paarden verzorgen die de bomschuit de zee in moeten trekken. En dan nog al die kinderen. En als je er al niet alleen voor staat, omdat je man al 20 jaar geleden met man en muis en bomschuit is vergaan.
Het zijn helemaal geen foto’s. Het zijn kleine monumentjes.
