Het moet een wat rommelig pleintje geweest zijn, maar het had wel wat. Nog niet overwoekerd door het blik van automobielen, een drogisterij annex handel in badartikelen en de achterkant van café-restaurant "Im Weissen Rössl". En rechts – meer dan Huis ter Duin – de Moeder van de Noordwijksche Hotellerie, het aloude Palace Hotel, met rechts onderin een soort van koffieshop annex snackbar (Atlantic) en iets hoger de ingang naar dancing Miramar.
Rommelig. Het moest dus worden opgeruimd. De Duitsers zullen in de oorlog wel een handje geholpen hebben met deze ruimtelijke ordening (Seehorst – niet op de foto – , Oranje Hotel en Rössl werden met de grond gelijk gemaakt) en brand vermorzelde tenslotte ook het Palace Hotel.
Sindsdien is het kaalslag wat de klok sloeg.
Als dat dan het resultaat van een ruimtelijk ordeningsbeleid is geweest of het toonbeeld van onmacht om er nog iets van te maken kun je daarover in wisselende mate boos of bedroefd worden.
Of cynisch – om die andere gevoelens maar te verbergen. Als de spits van ADO-Den Haag de bal weer eens ver naast de palen joeg, hoonde trainer Lex Schoenmaker: "Goed zo, jongen, wég die bal!" Zo ongeveer. Als je een mooi pleintje hebt, waar veel gebeurt, waar het aardig en gezellig is en waar je nog enige beschutting hebt tegen de winden uit zee luidt het parool: " Wég die rommel!"
