foto(photograph courtesy of L)

Verhalen in dit blog staan vol met mooie villa’s en hotels en belichten vooral de mooie kanten van Noordwijk, van dat rijke leven vol warmte en glamour. Incidenteel komen er wel bollenboeren en vissersmannen aan bod, levens die niet gemakkelijk waren, koud en hard. Hier komen die werelden een beetje samen op wat toen nog de ‘Oude Zeeweg’ heette, maar nu de Grent. Die laatste naam stamt – volgens het al vaker hier luid geciteerde straatnamenboek van Ton Meijer – uit de tijd dat het hier oorspronkelijk lopende zandweggetje ‘begrind’ werd, waarvan Noordwijkers dan weer in hun eigen dialectisch taalgebruik ‘grent’ maakten (volgens Meijer moet het ooit ook nog ‘Groeneweg’ hebben geheten, maar die naam is enigszins apocrief).

Hoe dan ook, de Grent geniet in Noordwijk enige faam door de relatief steile duinhelling die erin zit, in het eerder genoemde dialectisch taalgebruik ook wel een ‘kluchie’ genoemd, maar dat verkleinende woord doet geen recht aan het fikse stijgingspercentage dat hier aan de orde is (toen de Tour de France er in 1954 overheen trok moet dit gedeelte toch zeker gerekend zijn geweest tot categorie 2 van het bergklassement en ik wed dat Charley Gaul als eerste boven was).

Op de achtergrond zien we café-restaurant Van Ruiten, het torentje van het Oranjehotel daarboven uit stekend en rechtsboven in de hoek nog net een stukje van het pannendak van het Palace Hotel. Daar tussenin op de voorgrond Pension Duinoord (nu Bar De Stip). Rechts op het duin zou veel later nog het VVV-gebouw worden neergezet.

In die omgeving komen twee werkmannen elkaar tegen. De één zwoegt om op de helling naar boven te komen. Hij heeft gemakshalve maar gekozen voor de linkerkant van de weg (auto’s waren er weinig nog in die tijd), een mooie, scherp aangesneden binnenbocht, want dat scheelde allicht weer een paar pedaaltrappen extra. Van de andere kant komt iemand met een zware zak op zijn rug. Hij moet tegenwicht bieden, want anders zou die zak vol hem – kluchie af – langzaam op snelheid brengen, zodanig dattie in no time en zonder remmingen in de keuken van café-restaurant Van Ruiten zou belanden. Het is nog zomer, zo te zien, dus kolen zullen er niet in gezeten hebben. Waarschijnlijk zijn het aardappelen, besteld door een van de hotels of pensions, die niet anders dan gedragen en lopend bezorgd konden worden op dat punt. Een handkar of een paard en wagen waren van hier af ongetwijfeld in zee terecht gekomen. Andersom hadden ze het hoogste punt nooit gehaald (begrafenisstoeten reden om dezelfde reden ook altijd om op weg naar de begraafplaats).

De man op de fiets en de man met de zak moeten elkaar ongetwijfeld hebben gekend, zo groot was Noordwijk nu ook weer niet. Maar de vraag is of ze beiden nog de puf hebben gehad om elkaar te groeten. De fietser lijkt al helemaal aan het einde van zijn krachten. De loper is geconcentreerd op een goede afloop van zijn duik naar beneden. Hard werken, terwijl daar beneden op de Grent iedereen in zijn of haar goeie goed rondloopt, niet gekweld door enige lichamelijk inspanning, genietend van het vooruitzicht vanavond weer een mooie bloemige pieper te krijgen opgediend in het pension. Het mooie leven van de één vereiste veel geploeter van de ander.