Het was de componiste en zangpedagoge Catharina van Rennes (1858 – 1940 die de drie kleine kleutertjes op het hek zette en daarmee een kinderliedje creëerde dat zijn weerga – althans in mijn jeugd – niet kende en helemaal plat gezongen werd door duizenden nog niet helemaal ontwikkelde kinderkeeltjes. Ze richtte zich eigenlijk alleen maar op kinderkeeltjes, zelfs ooit op het koninklijke keeltje van prinses Juliana die van haar muziekonderricht kreeg. Catootje, zoals ze thuis genoemd werd, moet een speels en wispelturig kind geweest zijn (ze was het op hoge leeftijd trouwens nog) en ze had weinig geduld voor de pianolessen, die zij aanvankelijk van haar vader kreeg. Vanaf haar twaalfde bezocht ze de Zangschool van Richard Hol. Toen deze opging in de Muziekschool der afdeeling Utrecht van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, zette zij haar studie bij Hol voort in de vakken muziektheorie, pedagogie, compositie en solozang. Tegelijk volgde ze zanglessen bij de vermaarde concertzanger Johan Messchaert. Op 5 oktober 1883 slaagde Catharina – daartoe opgeleid door Th.L. van der Wurff – voor klavierspel en -onderricht, en op 30 juni 1884 behaalde zij het diploma zangonderwijs en solozang. Ik ontleen een en ander aan de prachtige website van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, dat zoveel mooie parels herbergt, waaronder dit prachtig biografietje van Van Rennes.

Van Rennes had haar studie nog niet voltooid toen zij al af en toe werd gevraagd als zangeres op te treden. Onmiddellijk na haar eindexamen nam Daniël de Lange haar op in zijn Amsterdamsch a Capella-Koor, waarmee zij in 1885 als soliste in de Royal Albert Hall oud-Nederlandse (!) liederen ten gehore bracht. Must have been some of a night en iets heel anders dan de Proms die doorgaans de Hall op zijn grondvesten deed schudden.

Ze zou met wisselend succes tot haar vijftigste blijven optreden als zangeres, maar haar eigenlijke liefde ging uit naar een carriere als zangpedagoge. In 1887 solliciteerde ze daarom bij de Utrechtse Muziekschool naar de functie van lerares solozang, die na het vertrek van Richard Hol was vrijgekomen. Deze fel begeerde betrekking ging aan haar (pinnige) neus voorbij, men was waarschijnlijk bang voor haar scherpe tong, die al te schel zou klinken in onschuldige kinderoortjes. Van Rennes bleef echter niet bij de pakken neerzitten. In november 1887 richtte zij een eigen zangschool voor kinderen op, ‘Bel Canto’ genaamd, die eerst was gehuisvest in de Fransche Bewaarschool en vanaf 1901 in haar grote herenhuis aan de Brigittenstraat te Utrecht. Later opende zij dépendances in Hilversum, Amsterdam en Den Haag, waar ze eveneens zelf les gaf. Haar leerlingen waren kinderen van goeden huize. Voor de ouders en andere belangstellenden organiseerde zij ‘matinees voor kinderen en kindervrienden’. En grote bekendheid kreeg haar school toen de jonge prinses Juliana – zoals gezegd – van 1916 tot 1921 in klassikaal verband zangonderwijs kreeg in het Haagse Paleis Noordeinde.

Naar verluidt was de sfeer in haar klassen niet altijd even ontspannen. De struise, heerszuchtige Van Rennes – een knijpbrilletje op de neus en doorgaans gekleed in lange, breedvallende reformgewaden, bij voorkeur paars van kleur – boezemde de kinderen een angstig ontzag in en hield hen strak onder de duim. Gedurende vijfenveertig jaar heeft Van Rennes ‘Bel Canto’ (‚Bel Cato‘ was te veel eer) geleid, daarbij langdurig ter zijde gestaan door haar zuster Francine Esselink-van Rennes, die de lessen aan de piano begeleidde en de voorbereidende klassen voor haar rekening nam.

Catharina van Rennes schopte het ook nog tot dirigente, en niet zo maar een: ze vervulde gastdirecties de kroningsfeesten in Den Haag, waar een kleine 1800 jongens en meisjes, begeleid door de kapel der grenadiers en jagers, haar Oranje-Nassau-Cantate (opus 33) voor koningin Wilhelmina uitvoerden. Verder stond zij drie keer voor het Amsterdamse Concertgebouworkest (!); de eerste maal, op 2 november 1905, dirigeerde ze een eigen compositie, de cantate Van de zeven zonnestraaltjes (opus 50), geïnstrumenteerd door Peter van Anrooy. In 1912 maakte Van Rennes een tournee naar Nederlands-Indië om daar propaganda te maken voor haar muziekstukken, die werden vertolkt door haar oud-leerlinge Hanna Verbena, terwijl de componiste zelf achter de vleugel zat.

Op 9 april 1927 werd Van Rennes, ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van ‘Bel Canto’, op grootse wijze in de Utrechtse Stadsschouwburg gehuldigd, waarmee ze alsnog de Grote Erkenning in haar geboortestad kreeg. Kort daarna begon zij aan geheugenverlies te lijden, wat steeds erger werd. Soms vond men haar ’s avonds verdwaasd ronddolen door de Utrechtse binnenstad. Door toedoen van enige oud-leerlingen kon ze begin 1933 in het Lutherse bejaardenoord ‘Huize Klimop’ te Amsterdam-zuid worden ondergebracht. In dit tehuis had men haar Utrechtse zitkamer nauwkeurig nagebouwd, zodat zij amper zal hebben beseft dat ze was verhuisd. Hier overleed zij, 82 jaar oud.

Naar Catherina van Rennes zijn in Nederland tal van straatnamen vernoemd. Terecht of onterecht. Ook de gemeenteraad van Noordwijk moet eens op het idee gekomen zijn een straat naar haar te vernoemen, maar uiteindelijk is dat niks geworden. In het Noordwijks Straatnamenboek van Ton Meijer wordt gewag gemaakt van ‚een onbegaanbaar pad‘ dat op de nominatie stond ‚ Catherina van Rennesweg‘ te gaan heten. Maar het was – zoals gezegd – een onbegaanbaar pad en het moet de Noordwijkse volksvertegenwoordigers zelf ook te gortig geweest zijn om haar met een dergelijke armoe te eren.

Toch was er voor die eer wel een reden, want Catherina van Rennes kon vaak in Noordwijk worden gesignaleerd: ze verbleef ‚s zomers vaak mij vrienden in de villa „Klein Noordwijk", later villa „De Regenboog", onderdeel van het Heinekendorp in de Zuiddduinen. Freddy Heineken himself getuigde ooit dat hij Catherina vaak aantrof daar in de duinen, veelal gekleed in een lange witte jurk, door haar knijpbril speurend naar kruiden, waarvan niet bekend is wat ze ermee deed. Ook in de duinen van Noordwijk moet al sprake geweest zijn van geheugenverlies en verdwazing, maar dat in zichzelf had nog niemand op het idee mogen brengen om een pad naar haar te vernoemen dat ‚onbegaanbaar‘ was. Ze verdiende veel beter.