fotoAlexander Salomon de Leeuw werd geboren op 15 mei 1899 en stierf in Auschwitz op 4 augustus 1942. In de relatief korte tijd daartussen was hij vooral bekend geworden als  theoreticus van het Nederlandse marxisme-leninisme en bestuurder van de Communistische Partij in Nederland, maar er was meer. Hij liet zich in 1918 als student rechten inschrijven aan de universiteit van Amsterdam en deed 3 jaar later (!) al zijn doctoraal. Hij werd in 1922 lid van de Bond van Revolutionair-Socialistische Studenten in Nederland, wat zelfs voor Ger Harmsen een wat weidse naam was voor een klein clubje waartoe behalve De Leeuw onder andere ook  Annie Romein-Verschoor behoorde. In 1922 meldde De Leeuw zich aan als lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Ik volg Ger Harmsen in het ontroerende portret dat hij van De Leeuw heeft geschetst op de prachtige website van het International Institute for Social History:  

Volgens tijdgenoten was Alex de Leeuw op het eerste gezicht arrogant, maar was hij dat niet, eerder geremd. Zijn schijnbaar afwerende houding maakte hem moeilijk benaderbaar vooral voor vreemden. Tegelijk hield hij bij alle vroegrijpheid iets naïefs. Het meest in het oog springend was zijn vermogen tot scherp en logisch argumenteren. Hij was geen spreker die de massa beroerde, maar op kleine cursusvergaderingen wel een geliefd inleider die geestig en slagvaardig zonder effectbejag uit de hoek kon komen. Hij bewoog zich wat abrupt. Of het nu kwam dat hij zijn bewegingen niet voldoende onder controle had of doordat hij in het gesprek alles vergat, niet zelden sneuvelde tijdens zijn bezoek enig serviesgoed. Met moeite verliet hij het ouderlijk huis – pas met 29 jaar – en ontwikkelde zich tot een typische vrijgezel. Wel was hij herhaaldelijk verliefd maar zijn gedragswijze verhinderde een verdergaand contact en daar heeft hij zeker onder geleden. (…) 
 

De Leeuw werkte eerst in de advocatuur. In 1923 associeerde hij zich met Evert Straat. Veel cliënten kregen zij niet maar Plato en Euripides doornemend kwamen zij de tijd goed door. Toen Straat in 1925 een betrekking in het zakenleven kon krijgen, zette De Leeuw het advocatenkantoor alleen voort. Net als Simon de Jong ontwikkelde hij zich tot een typische CPN-advokaat. De ene keer ging het om een arbeidersvrouw, die zich door een brutale verkoper had laten overbluffen waardoor ze met een voor haar onbetaalbaar gasstel zat, de andere keer om een Twentse stakingsleider, die terechtstond wegens opruiing.(…)
 

In de partijstrijd die de CPN in de jaren twintig doormaakte, kwam De Leeuw niet naar voren. Wel werkte hij incidenteel mee aan De Communistische Gids. De eerste opstellen, in een moeizame stijl, handelen over streng theoretische onderwerpen. De strekking ten opzichte van het latere leninisme was uitgesproken heterodox. Zo verdedigde hij het theoretische hoofdwerk van Rosa Luxemburg, behandelde hij een hachelijk onderwerp als de marxistische ethiek en wilde hij het historisch materialisme funderen met behulp van het Engelse filosofische realisme zoals dit rond de eeuwwisseling bloeide. Bij de scheuring van de partij in 1926 koos De Leeuw voor de Komintern en tegen D. Wijnkoop, die hij verweet de strijd te voeren met ‘de middelen die hem eigen zijn: stoken, sarren, intrigeren’. De Leeuw kwam in het partijbestuur en daar Wijnkoop De Communistische Gids meenam en voortzette, begon in januari 1926 Klassenstrijd, revolutionair maandblad te verschijnen. Met Henk Sneevliet, H. Roland Holst, J. Postma en anderen maakte De Leeuw deel uit van de redactie. Toen in de Sovjet-Unie de strijd tussen Stalin en Trotski in een beslissend stadium kwam, ging de sympathie van Sneevliet en Roland Holst naar Trotski uit. Zij braken met de CPN evenals het bestuur van het Nationaal Arbeids-Secretariaat, maar De Leeuw bleef de CPN trouw. (…)
  

Toen in 1930 de economische crisis doorzette, verscherpte ook de politieke strijd zich ter linkerzijde. De Komintern constateerde dat het fascisme oprukte en beschouwde de sociaal-democratie binnen de arbeidersklasse als een steunpunt hiervan in de vorm van sociaal-fascisme. In een spitse argumentatie onderschreef De Leeuw deze verderfelijke stelling op de meest extreme wijze. Zijn medepartijbestuurders wilden hierin niet zo ver gaan. Na zware interne partijstrijd consolideerde de CPN zich in 1930 en aanvaardde het Komintern-standpunt. Van de sterk gewijzigde partijleiding, waarin nu ook meer arbeiders zitting hadden, maakte behalve P. de Groot voor het eerst ook De Leeuw weer deel uit. Het prestige van De Leeuw groeide sterk in de jaren dertig. Hij verdiepte zich grondig in het werk van Lenin, aanvaardde de wijze waarop dit door Stalin geïnterpreteerd werd en achtte de tribunistische traditie een obstakel op de weg naar een ‘gebolsjewiseerde’ partij. De Leeuw werd redacteur van De Tribune, schreef voor Inprekorr, een periodiek van de Komintern, hield in 1928 een rede op het zesde Kominterncongres en leverde de slotbeschouwing bij de terugkeer in de CPN van de Wijnkoop-groep in 1930. (…)
  

Al zijn aandacht concentreerde hij nu op het onderzoeken en bestrijden van het fascisme. Zijn vruchtbaarste jaren braken aan en zijn gaven kwamen tot volle wasdom. Zijn juridische rechtlijnigheid maakte plaats voor het inzicht dat het historisch proces meer mogelijkheden in zich draagt. De doorvoering van de volksfrontlijn betekende ook voor de CPN een ingrijpende koerswijziging. Van het Volksdagblad, dat sinds 19 april 1937 De Tribune voortzette, werd De Leeuw hoofdredacteur. Het theoretisch maandblad, dat onder de naam Politiek en Cultuur verder ging, kreeg onder de redactie van De Leeuw inderdaad een opener karakter. De vele intellectuele contacten die hij buiten de CPN was blijven onderhouden schiepen de gelegenheid ook anderen dan partijgetrouwen in het blad te laten schrijven. In deze jaren verschenen zijn grote publikaties in boekvorm: Het communisme (Amsterdam 1936), Nederland in de wereldpolitiek (Zeist 1936) en Het socialisme en de natie (Amsterdam 1939). Het laatste is zijn hoofdwerk gebleven.(…)
    

Al in 1938, toen De Groot algemeen secretaris was geworden, raakte De Leeuw in de leiding van de CPN wat op de achtergrond. De Groot nam de hoofdredactie van het Volksdagblad over. A. Struik kreeg de leiding van Politiek en Cultuur en De Leeuw ging met S.J. Rutgers en A.E. Boutelje de redactie voeren van het maandblad De Sowjet-Unie, dat in november 1938 begon te verschijnen. Na het Hitler-Stalin-pact hielden zijn politieke bijdragen aan Politiek en Cultuur vrijwel direct op. Het pact was voor hem anders dan voor anderen een zaak van tactiek en niet van principe: een vertragingsmanoeuvre. Tijdens de bezetting verdiepte zich het politieke meningsverschil tussen De Leeuw en het driemanschap, dat de illegale CPN leidde. In een ‘politieke brief’ van de hand van De Groot werd De Leeuw, die zijn mening nog eens in een brief aan de partijleiding had kenbaar gemaakt, scherp aangevallen. ‘Zelfs heeft een voormalig lid van het partijbestuur een voorstel gedaan om met alle anti-Mussert en anti-Duitse groepen en personen… samen te werken. Dit betekent zich aan de leiding van de oranje-imperialisten onderwerpen.’ Wie dit doet ‘plaatst zichzelf daardoor buiten onze rijen’. De Leeuw werd vanwege een ondergeschikt punt geroyeerd.(…) 
 

Tijdens de bezetting dook hij niet consequent onder maar bleef café’s en vrienden bezoeken. Hij wijdde zich aan literaire studies en schreef een ongepubliceerd gebleven boek over de jonge F.M. Dostojevski. Het laatste stuk dat hij gedrukt zag, heette ‘De laatste reis van Ulysses’. Het ging over Homerus, Dante en A. Tennyson. Op 18 mei 1941 werd hij gearresteerd en naar het kamp-Schoorl overgebracht. In september 1941 kwam hij in kamp Amersfoort en werd aangesteld als tolk voor een groep krijgsgevangen Kirgiezen, die nauwelijks Russisch spraken en er ellendig aan toe waren. Hij bleef tussen alles door klassieke auteurs lezen. Er kwamen ook briefjes door waarin hij om een nieuwe bril vroeg, zijn derde al. Ten slotte volgde de overbrenging naar het vernietigingskamp Auschwitz, waar hij blijkens een mededeling van het Rode Kruis vrijwel direct na aankomst op 4 augustus 1942 werd omgebracht.
 

Tot zo ver Ger Harmsen en tot zo ver Alex de Leeuw. Bij alles wat hij in zijn korte leven gedaan heeft en bij alles wat hij was, was hij ook de zoon van Maurits de Leeuw. Maurits de Leeuw was een succesvol commissionair in effecten, geboren in Noordwijk op 11 maart 1870. Zijn familiebanden gingen nog verder terug in Noordwijk: Alex’ grootvader Henri de Leeuw was ook al een Noordwijker, geboren op 1 februari 1844, winkelier, koopman en ook commissionair, maar dan in diamanten. Hij besloot om wat voor reden dan ook (waarschijnlijk om de diamanten) op 2 november 1880 naar Amsterdam te verhuizen. Hoe ze allemaal in Noordwijk terecht gekomen waren is niet helder, wél door wie: Alex’ overgrootvader, Mozes, die in 1799 in Woerden geboren was moet op enig tijdstip naar Noordwijk zijn gekomen, want daar werden zijn kinderen geboren en daar ging hij ook dood op tweede kerstdag 1868. Hij werd in Katwijk begraven, waarschijnlijk omdat er in Noordwijk geen Joods Kerkhof was – en in Katwijk wel (?)).

Dat was allemaal lang voordat de 20e eeuw zou aanbreken, lang voordat het onheil de familie De Leeuw zwaar zou treffen, want Alex zou uiteindelijk niet de enige zijn van de familie die door de Duitsers werd omgebracht. Hij streed tegen het kapitalisme, het oranje-imperialisme en het trotskisme. En ook tegen het nazisme. Hij verloor.