In "De Ontdekking van de Hemel" laat Harry Mulisch zijn hoofdpersoon Max een kort uitstapje maken naar Noordwijk:
De avond was gevallen en op de weg naar Amsterdam nam hij impulsief de afslag naar Noordwijk. Over de donkere straat door de duinen reed hij naar de vuurtoren waar hij de auto parkeerde. Hij zette de motor af en stapte uit: de klap, waarmee hij het portier dichtsloeg, was als de punt achter een zin. Als de hoofdletter van de volgende verrees het ruisen van de branding – hoorbare stilte, waar het licht van de vuurtoren doorheen reisde als iets dat stiller was dan stil. Er stond een kille zeewind, sterren verschenen en verdwenen tussen zwarte, overdrijvende wolken.
En even verder:
Onophoudelijk zwaaide het kruis van de stralenbundels over zijn hoofd, als helikopterwieken die de aarde zwevende hielden in het heelal.
Dat laatste is een mooi beeld, niet alleen literair, maar ook ‘topografisch’: Noordwijk als epicentrum in het universum, een oerkracht die het opneemt tegen alle elementen van tijd en ruimte, het is niet niks. Maar dan komt al snel de ontluistering als Max verder zuidwaarts langs het strand loopt:
Iets verderop, aan de duinrand, stond Huis ter Duin: een groot, verlicht badhotel met mediterrane allure, alsof het zich aan de Boulevard des Anglais in Nice bevond, in plaats van bij een slaperig dorpje aan de kille Noordzee. Dooor het rulle zand sjouwde hij omhoog, vond op het terras een deur die niet op slot was en kwam terecht in een uitbundig feest van jenever, bier en carnavalsschlagers. Op het podium zaten als boeren verklede hoempamuzikanten, met zwartzijden petten op hun hoofd en rode zakdoeken om hun hals, en het ergste van het ergste was aan de gang: een ‘polonaise’, waarbij de feestvierders in een slang voortbewogen onder de versiering, de handen op elkaars schouders. Terwijl hij nog stond te knipperen tegen het licht en het kabaal, trok iemand hem met een ruk in de zingend hossende rij, en eer hij het wist maakte hij deel uit van de rite. Zelden had hij zich zo misplaatst gevoeld, maar met een toegeeflijke glimlach liet hij zich meevoeren; als hij zou protesteren werd hij misschien ter plekke geslacht en in het braadvet gegooid, tussen de worsten. Bij een deur glipte hij weg en ging naar de receptie.
Mulisch laat Max dan maar gauw ontsnappen aan het vermeende kannibalisme van de Noordwijkse autochtoon (de hoofdfiguurin het boek moet op dat moment nog 521 bladzijden mee), maar de tegenstelling en de ontluistering kunnen niet méér worden uitvergroot: Noordwijk als epicentrum in het universum waar een gansche beschaving van afhankelijk is, tegenover Noordwijk als epicentrum van menseneterij en carnaval. In het eerste beeld herken ik mij beter dan in het laatste.
