Hugo (II) Hoek was van 27 december 1917. Noordwijker van geboorte en er ook nog steeds woonachtig, getrouwd met Geertruida Pleijte en zoon van een andere Hugo (I) Hoek, die als hotelier en pensionhouder te boek staat. Ook zoon Hugo (II) wordt in genealogieën op internet gewaarmerkt – naast steward – als hotelier. Allemaal mannen die Hotel Hoek op de Noordboulevard groot hadden gemaakt. Hugo II had 3 kinderen. Hij was 29 toen hij stierf.
Hij was op 1 november 1946 bij de KLM terecht gekomen als steward op een DC3-Dakota, zo’n troepentransporttoestel dat in de Tweede Wereldoorlog furore had gemaakt en daarna in groten getale gedumpt werd in de burgerluchtvaart. De KLM vloog ermee tot 1965, maar zolang zou Hoek niet meer vliegen. Hij kwam op zondag 26 januari 1947 om bij een crash op het vliegveld Kastrup bij Kopenhagen. Het vliegtuig stortte neer en brandde volledig uit. Alle 22 inzittenden, waaronder prins Gustav Adolf van Zweden, kwamen om het leven.
Het lag niet aan de piloot, of misschien toch wel een beetje. Gerrit Johannes Geysendorffer was de eerste Nederlander met het brevet voor verkeersvlieger. Hij kwam op 1 maart 1921 in dienst van de KLM en werd daarmee de eerste Nederlandse vlieger van de KLM. In 1927 was hij de eerste die een retourvlucht naar Nederlands Indië maakte met een Fokker F.VIIa. In 1933 maakte Geysendorffer de roemruchte vlucht met de Postjager naar Batavia en verongelukte een jaar later met hetzelfde toestel in Allahabad tijdens de Londen-Melbourne Race. Daarbij vielen geen slachtoffers. “Geys” was de nestor van de Nederlandse vliegers en een van de allergrootsten die ooit bij de KLM hebben gevlogen. Meer dan 50 maal vloog hij naar Nederlands Indië en maakte bij elkaar 12.000 vlieguren.
Zoveel is over Hugo Hoek niet bekend, want stewards stonden lager in de pikorde dan gezagvoerders en waren voor het publiek ook mindere helden. Maar hij was erbij, bij dat ongeluk en voor een verslag neem ik het verhaal over van de site http://www.aviacrash.nl:
Het KLM lijntoestel van Schiphol naar Stockholm maakt, na een normaal verlopen vlucht, om 14.58 uur een tussenlanding in Copenhagen. Van de 7 passagiers stappen er drie uit. De overigen, waaronder prins Gustav Adolf van Zweden en zijn secretaris Stendock, blijven aan boord. Twaalf nieuwe passagiers stappen in. Hierbij is de bekende Amerikaanse zangeres Grace Moore.
Het weer is goed maar koud (- 5C) en om 15.31 uur start Geysendorffer voor het traject naar Stockholm. De aanloop van het vliegtuig is normaal en het stijgt op. De stijghoek is iets groter dan normaal maar wordt steeds groter (vermoedelijk meer dan 45 graden) totdat het toestel op een hoogte van ca. 100 meter in overtrektoestand geraakt. Hierop maakt het vliegtuig een slag naar links en valt bijna loodrecht ter aarde. Een hevige explosie zet het toestel in lichterlaaie. Van alle kanten stromen brandweerlieden, ambulances en vliegveldpersoneel toe maar door de onverdraaglijke hitte kunnen zij niets uitrichten. Als het bluswerk voltooid is kunnen de totaal verkoolde lichamen worden geborgen. De identificatie van de lichamen blijkt later vrijwel ondoenlijk. Slechts aan een paar visitekaartjes die in zijn portefeuille aan de brand ontsnapt zijn, kan het lichaam van Gustav Adolf worden geïdentificeerd. Onderzoek naar de oorzaak van de ramp wijst al snel uit dat een 19-jarige leerjongen had vergeten om voor de start, de klamp die het hoogteroer verankert (de z.g. elevator locking pin), weg te halen. Zijn baas, de werktuigkundige, had die dag vrij, en in zo’n geval was de leerling verantwoordelijk voor het verwijderen van de klamp en de wielblokken. Geysendorffer startte derhalve een vliegtuig met een geblokkeerd hoogteroer en was dus volslagen kansloos om het toestel onder controle te krijgen. Op 3 september 1947 doet de Raad voor de Luchtvaart uitspraak over het ongeval. Zij concludeert dat niet alleen het grondpersoneel, dat de klamp had moeten verwijderen, maar ook de bwk en de gezagvoerder tekort zijn geschoten. De bwk had moeten controleren dat alle klampen (ook andere roeren hebben deze) aan boord waren en de bestuurder had de uitslag van alle stuurorganen voor de start moeten controleren. Dit is duidelijk niet gebeurd, anders had Geysendorffer het vastzitten van het hoogteroer bemerkt en zou niet zijn gestart. De Raad betreurt het dat “beide mannen, van wie Geysendorffer gedurende zoveel jaren de uitstekende naam van de Nederlandse luchtvaart heeft helpen vestigen en hooghouden, in voormeld opzicht hebben gefaald”. Het ongeluk op Kastrup leidde ertoe dat voortaan de klampen werden voorzien van een felgekleurde wimpel, waardoor het duidelijk zichtbaar was als dit instrument nog niet verwijderd was.
Voor Hugo Hoek kwam dat allemaal te laat. Hij werd op 4 februari 1947 begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Oude Zeeweg. KLM-collega’s droegen hem door pakken witte sneeuw naar zijn graf. Hij had voor hetzelfde geld ‘hotelier in Noordwijk’ kunnen blijven, wrang genoeg heeft hij daar blijkbaar niet voor gekozen. Waarom weet ik niet.


Hugo Hoek was mijn opa