




De Nederlandse zanger Jacques (Jacobus) Urlus was een van de belangrijkste tenoren van zijn tijd. Urlus werd uit Nederlandse ouders geboren in Hergenrath bij Aken, waar zijn vader voorman was bij een ijzergieterij. Toen Jacques een jaar oud was, verhuisde het gezin naar Tilburg. Er was nog geen leerplicht, waardoor hij maar de helft van de tijd op de lagere school zat. Hij werd al jong arbeider in Smulders’ ijzergieterij waar zijn vader werkte, het ijzer zat de familie blijkbaar als gegoten. Urlus kreeg zijn eerste muzieklessen van een ver familielid dat in Tilburg tweede dirigent was van de Korvelsche Harmonie. In zijn autobiografie (Mijn Loopbaan, 1929) vertelde Urlus dat hij het notenschrift onmiddellijk en moeiteloos onder de knie kreeg. Hij wilde bugel spelen maar werd ook lid van de Korvelsche Zangvereeniging, dat Nederlands en Frans repertoire zong. Toen hij vijftien was, verhuisde de familie naar Utrecht. Urlus voelde zich er niet thuis, maar bij zangvereniging Fidelio veranderde dat. Een vriend nam hem mee naar een kerkrepetitie van Die Jahreszeiten en veertien dagen later zong Urlus als solist een tenoraria uit Haydns meesterwerk op een concert in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen (het tegenwoordige conservatorium).
Urlus was uitzonderlijk getalenteerd. Hij deed ijverig aan zelfstudie en zijn prachtige tenorstem was toen even zeldzaam als nu. Zijn doorbraak kondigde zich aan in het leger, waar de dirigent van een militaire kapel zijn talent onderscheidde. Een andere officier stuurde hem naar de invloedrijke Utrechtse componist en zangleraar Richard Hol, die vond dat Urlus in Brussel moest gaan studeren. Tot Urlus’ grote teleurstelling kon zijn familie dat niet bekostigen. Toen hij drieëntwintig was (1890) werd Urlus voor het eerst voor zijn zangkunst betaald, bij een uitvoering van Mendelssohns’ ‘Reformatiesymfonie’ Lobgesang. Hij had een krachtige, robuuste stem en beschikte over een briljante techniek. De basis daarvan was zijn onuitputtelijke adembeheersing, waarmee hij zelfs de zwaarste Italiaanse aria’s schijnbaar moeiteloos kon zingen.
Vier jaar na zijn professionele debuut kreeg hij zijn contract bij de Nederlandsche Opera, terwijl hij nog lessen nam bij Hugo Nolthenius, Antoon Averkamp en Cornélie van Zanten. In 1900 kreeg hij uit Leipzig de aanbieding om Wagner te zingen. Tien jaar later debuteerde hij in Covent Garden als Tristan. Urlus’ naam zou altijd met de Wagner-opera’s verbonden blijven, Bayreuth had voor hem gen geheimen. Van 1912 tot 1917 woonde hij in New York als een van de sterren van de Metropolitan Opera. Hij was ‘ close’ met Willem Mengelberg, zo’n andere Grootheid van voor de oorlog (en zo’n Kleine daarna).
Toen de V.S. zich in de Eerste Wereldoorlog mengde, aarzelde hij om partij te kiezen, wat hem zowel in Amerika als in Duitsland kwalijk werd genomen. Hij keerde naar Nederland terug en zette zijn loopbaan voort met gastoptredens op de grote podia van de wereld. Hij woonde in Noordwijk in Belvedère in de Zuid, een statig pand dat nu nog als hotel dienst doet. Het geeft aan hoezeer bemiddeld hij geworden was, wat ook moge blijken uit bijgaande prenten, die hem in een maatpak gestoken en in een heusch automobiel poserend hebben vastgelegd. Het moge tenslotte ook blijken uit zijn wat protserig uitgevallen grafkapel op de Roomsch-Katholieke begraafplaats in Noordwijk-Binnen, waar de betreffende kapel moeiteloos de concurrentie aankan met de grote bidkapel aan de en met de laatste rustplaats van Maria Montessori aan de andere kant. Jaques Urlus stierf in 1935 in Noordwijk en ligt daar nu dus als een vorst opgebaard. Zijn begrafenis moet de allure hebben gehad van een staatsbegrafenis, maar daar heb ik helaas geen beeld van gevonden.
