F.L. Hemkes werd in 1854 in Noordwijk geboren, maar ik weet niet waar en hij stierf in 1887 in Jagersfontein / Zuid-Afrika, maar ik weet niet waaraan. Hij ging naar Zuid-Afrika omdat hij daar een baan als leraar Engels kon krijgen, waarschijnlijk was hij dat in Nederland ook, maar er is weinig tot niets over hem te vinden. Behalve dan dat de dichter Willem Kloos hem hooglijk prees. En toch.  Dichter van maar één bescheiden bundeltje: XL Gedichten, verschenen bij E.J. Brill in Leiden in 1882 ("XL"  staat hier niet voor "extra-large", maar voor "40", voor de iets te snelle en niet-Latijns geschoolde lezers onder u, denimdragers en hamburgeters).  

In die bundel " ’t Geuzenvendel op den thuismars" dat begon met de strofe 

Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom
Met vliegend vaandel en slaande trom,
En zagen de zon bij het zinken
Op ’t duin van hun Vaderland blinken

Gerrit Komrij pistacheerde de strofe met evenveel poetisch gevoel als misplaatst vooroordeel:

Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom
En zagen daar ook naar uit, zo dom

En ik kende de regel – minder xenofobisch – als 

Zij kwamen uit Brabant weerom
Mijn Tante Liesbeth en mijn Ome Tom.

Er zit natuurlijk wel tragiek in een dichtersfiguur die alleen bekendheid verwerft doordat collega-dichters de draak met hem steken. Om het goed te maken en F.L. Hemkes en zijn mooie, maar spaarzame oeuvre alle eer en recht te doen publiceer ik ook dat ‘andere’, voor sommigen zelfs meer bekende bekende gedicht van hem,  Het Kindeke Van Den Dood

Hoe ligt de stille heide daar
gelijk een bloeiend graf!
Geen klank, geen lied breekt maar even maar
het doodsche zwijgen af;
‘t is, of die nevel koud en kil;
het breede land begraven wil;
de zon schijnt vreemd en rood,
en op de hei speelt blank en stil
het kindeke van den Dood.

Er leefde een kind in ‘t heideland,
een zwak en zieklijk wicht,
dat had zijn vreugd aan elke plant,
die bloeit bij warmte en licht;
steeds wilde ‘t op de heide zijn
en hupplen in den zonneschijn,
zijn liefste speelgenoot;
men noemde ‘t om zijn stervenspijn
het kindeke van den Dood.

En eenmaal op een dag in mei,
was ‘t kind zoomoe, zoo loom;
hem leek de breede bruine hei
wel ‘t landschap uit een droom;
de vogels zongen ginder ver,
als zweefden ze op een gouden ster
hoog boven zorg en nood,
en kweelden zoet en zongen er
voor ‘t kindeke van de Dood

Het was hem of de nacht begon,
de bange duistre nacht,
al had nog niet de lieve zon
haar halven loop volbracht:
aan zon en bloesem hing zijn hart;
het dacht niet aan zijn booze smart,
aan bittre pijn en nood;
te sterven was zelfs wreed en hard
voor ‘t kindeke van den Dood.

En ‘t bad, – dat als ‘t begraven lag,
het ieder jaar, in mei,
slechts eenen blijden, langen dag
mocht spelen op de hei,
en, als het middaguur begon,
mocht hupplen in de warme zon,
tot weer het daglicht vlood,
het kind dat niemand heelen kon
het kindeke van den Dood.

Wie kent de macht van ‘t schuldloos kind,
dat stervend vraagd en hoopt?
Soms rijst, wanneer de Mei begint,
eer middaguur verloopt,
een nevel op, die koud en kil
het breede land begraven wil;
de zon schijnt vreemd en rood;
dan speelt op ‘t heiveld, bleek en stil
het kindeke van den Dood.

Dan leeft en speelt het heel den dag
en speelt met bloem en plant;
dan klinkt bij wijle een vreemde lach
langs eenzaan heideland,
maar als de zon in ‘t Westen scheidt,
en stervend nog zijn luister spreidt
van glansrijk avondrood,
Dan klaagt een kinderstem dat schreit
het kindeke van den Dood.

bron: XL Gedichten / Uitgever: E.J. Brill Leiden