fotofotoJanus Dousa, Groot Leidenaar, maar Geboren Noordwijker, aan wie ik al eerder een lemma wijdde, was naast zijn talloze andere hoedanigheden ook druk met de poëzie en als zodanig naast dichter een groot inspirator van een (wat mij betreft wat kleffe) groep poeziestudenten op de Leidse universiteit. Het wordt allemaal even prachtig als uitgebreid gememoreerd op die even fabelachtige als schatkamerige website van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren door Chris. L. Heesakkers en Wilma M.S. Reinders (Genoeglijk bovenal zijn mij de Muzen: de Leidse Neolatijnse dichter Janus Dousa (1545-1604).  Ïk haal daar het volgende uit:

Nog decennia lang zullen jonge studenten zich ter bedevaart naar Noordwijk begeven om zich door de genius loci te laten inspireren alvorens hun eerste schreden op het pad der Neolatijnse poëzie te zetten. Evenals Heinsius laat de Duitse dichter Martin Opitz in zijn bucolische poëzie de lammetjes gaarne in de Noordwijkse duinen dartelen. Diens landgenoot Vincentius Fabricius kiest tijdens zijn studie in Leiden Noordwijk zelfs tot zijn woonplaats en vindt er de geïdealiseerde geliefde en metgezellin op zijn wandelingen door de duinen.

Me mea Nortvicum studio componit inerti,
Quodque sonat fractis undique littus aquis.
Heic ego vel totos in littore transigo soles,
Et mare prospectu metior inde meo:
Vel procul in tumulis, positisque vagamur arenis:
Vel prope per campos, blandaque rura feror.
Saepe haeret lateri tandem exorata Merilla,
Saepe praeit, lepidae duxque comesque viae.
Illa diu tristis: sed post lacrimasque, precesque,
Cum morerer, vitam reddidit illa mihi.
Nunc quoque si fas est, tandem concedit amari.
Nunc quoque si fas est credere, forsan amat.
Sic mihi tempus abit: virides sic curritis anni.
Di faciant, vitae sit modus iste meae.

(Fabricius, Secessus, p. 55)

In vertaling gaat het dan zo:

‘Mijn Noordwijk en zijn kust met het alom klinkend geluid van de branding verzoent mij met mijn trage studiezin.
Hier breng ik hele dagen op de kust door
en van hier tuur ik met mijn blik de zee af,
of wij zwerven in de verafgelegen duinen en zandverstuivingen,
ofwel in de velden en lieflijke landerijen dichtbij het dorp.
Vaak loopt Merilla, na veel smeken, gearmd aan mijn zijde;
vaak loopt ze vooruit, mijn gids en metgezel langs het schilderachtige pad. Heel lang was zij onverbiddelijk, maar toen ik aan mijn tranen en gebeden was bezweken, heeft zij mij het leven teruggeschonken.
Nu, als ik het mag geloven, heeft ze me eindelijk toegestaan haar te beminnen,
nu, als ik het mag geloven, voelt ze misschien zelfs iets voor mij.
Zo gaat mijn tijd verloren; zo vliedt gij heen, mijn groene jaren.
Mogen de goden geven, dat aan dat leven een eind komt.’ 

Heesakkers en Reinders eindigen dan – niet gespeend van enige pathetiek: "Hier, in Noordwijks duinen, voelt Fabricius de geest van Dousa rondwaren. Deze ervaring krijgt bijzonder reliëf, wanneer Fabricius bij een bezoek aan het afgelegen landgoed van de heren van Noordwijk plotseling oog in oog staat met een indrukwekkend schilderij waarop de vereerde dichter samen met zijn echtgenote en zijn talrijke kinderschare is geportretteerd (zie plaatje)."