In 1492 kwam het volk van Kennemerland en Westfriesland in opstand. Jaren van mislukte oogsten, vanwege de hevige regenval, en de belastingdruk brachten de mensen tot wanhoop. Het opstandige volk trok over de landengte van Kennemerland, alles vernielend wat het tegenkwam aan bezittingen van de heersende Kabeljauwse partij. In Haarlem (plaatje) richtten zij verwoestingen aan en sneden de schout, Van Ruyven, aan stukken die zijn weduwe kreeg thuisbezorgd. Deze opstand staat in de geschiedenisboeken bekend als de Opstand van het Kaas- en Broodvolk.
De stadhouder, Albert van Saksen, besloot met harde hand de opstand neer te slaan. In zijn opdracht voerde een huurleger onder leiding van de Duitse edelman Wilwort Von Schaumburg een landing uit aan de zuidgrens van het graafschap Kennemerland, ter hoogte van Noordwijk. Daar kwamen ze al direct in aanraking met het Kaas- en Broodvolk dat al eerder Leiden had aangedaan, maar daarvandaan werd verjaagd door Jan Graaf van Egmond, stadhouder-generaal van Holland, Zeeland en Friesland, en in paniek richting Noordwijk was getrokken. Noordwijkers zullen zich niet onbetuigd hebben gelaten: in hetzelfde jaar, 1492, hadden Jan van Noordwijk, ridder en ambachtsheer van Noordwijk, en dezelfde Jan van Egmond Maximiliaan van Oostenrijk en Philips de Schone toestemming gevraagd om de belastingen, die de inwoners van Noordwijk wegens hun armoede niet konden betalen, te veranderen in accijnzen op bier, geslacht vee, wijn, en het hoeden van melkkoeien. Die toestemming hadden de beide Jannen wel gekregen, maar het was maar de vraag of de betrokken Noordwijkers daar gelukkig mee waren. Waarschijnlijk niet, want velen van hen leverden – met het versnipperde Kaas- en Broodvolk -slag met de adelijke Duitser door wie zij vervolgens vakkundig in de pan werden gehakt. Von Schaumburg had de smaak te pakken want hij rukte verder op naar het noorden, via Haarlem naar Beverwijk en Heemstede waar hij tenslotte op bloedige wijze een eind aan de opstand maakte. Heemskerkers liggen er nog wakker van.
