nul2

De Villa Ruys aan de Koepelweg 20, Noordwijk aan Zee. Architect was Willem Kromhout (die al eerder het Americain Hotel in Amsterdam had gebouwd) , bouwjaren 1915-1917. Kromhout kreeg in Noordwijk de kans om zijn hang naar monumentaliteit – in opzet en in hoogte – vorm te geven in de ‘muur Ruys’, zoals het vakantiehuis van de Rotterdanse industrieel door familieleden werd genoemd, of even plastisch ook wel “Het Fort van Ruys”. De tegen een duinwand gelegen villa had alle schijn van een vesting en was slechts bereikbaar via tal van opgaande terrassen en trappen. Inwendig waren de donkere woonvertrekken rond een centrale hal gegroepeerd. Kromhout ontwierp tevens het meubilair en de betimmering van de ‘herenkamer’. De Villa Ruys was een typische uitdrukking van de architectuuropvattingen van Kromhout, die het ontwerpen eens omschreef als het ‘boetseeren der kubieke massa’ met de baksteen als basismateriaal Rotterdam.

Het huis was eigendom van Bernard Ewoud Ruys, talentvol telg uit een Rotterdams redersgeslacht (Rotterdam 6-3-1869 – Noordwijk 16-9-1949).  Zijn overgrootvader had in 1861 de firma W. Ruys & Zonen opgericht, die van 1883 af de directie zou voeren over de toen gevormde naamloze vennootschap Rotterdamsche Lloyd. Tien jaar later zou Bernard Ewoud in de directie worden opgenomen. Toen had Ruys reeds een hogere handelsschool te Lübeck bezocht en ook een internationale opleiding in de praktijk binnen het bedrijf genoten. Na zijn toetreding tot de firma wijdde hij zich met zijn technische aanleg in hoofdzaak aan het eigenlijke rederswerk, waarin hij zich een ondernemer in grote stijl toonde. Hij had de oude ruggegraat van de onderneming, de vaart op het toenmalige Nederlands-Indië, versterkt door uitbreiding tot enkele andere vaarroutes. Zo behoorde B.E. Ruys tot de oprichters van de Java-China-Japan Lijn. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd deze politiek voortgezet en daarna in versterkte mate. Vrachtvaart, vervoer van passagiers en maildienst ontwikkelden zich voorspoedig. Midden in de felle crisis van de jaren dertig hadden de heren Ruys het inzicht en de moed om wederom in een ‘hachelijke tijd’ de uitbreiding en modernisering van de vloot ter hand te nemen, waardoor de maatschappij krachtig door deze moeilijke jaren heenkwam en zodoende mede de Nederlandse scheepsbouw tot steun was. Van de niet minder dan 73 nieuwe schepen die de Lloyd tijdens zijn directeurschap in dienst stelde en die te zamen 600.000 bruto registerton maten, werden er 50 in Nederland gebouwd. Bernhard Ruys oefende een grote invloed uit op de inrichting van die talrijke bodems. De vennootschap toonde mede een sterk bewustzijn van verantwoordelijkheid voor de medewerkers. De Rotterdamsche Lloyd stelde er een eer in nimmer haar mensen in de steek te hebben gelaten. Deze gedragslijn was vooral in de crisisjaren dertig van grote betekenis voor de onderneming.

In 1940 traden de bejaarde broeders W. en B.E. Ruys uit de dagelijkse leiding van de Rotterdamsche Lloyd. Voor de laatste was de dood van zijn zoon Willem, die in 1942 als gijzelaar door de bezetters werd neergeschoten, een zware slag. Toch bleven hij en zijn broer actief als commissaris. Zij mochten nog beleven dat in 1947 aan de Rotterdamsche Lloyd het predicaat ‘Koninklijke’ werd toegekend. Naar de gefusillerde zoon Willem werd later het grote passagierschip de ‘ Willem Ruys’  genoemd. Na de dood van B.E. bleef zijn weduwe in Noordwijk wonen in ‘de muur’ tot haar dood in 1959.  Het huis kwam daarop leeg te staan en werd later afgebroken door de erven Ruys.